Natuurlijk wist ik dat de kersen het niet zouden redden. Ze zijn nog lichtgroen, of sommige hebben een vaag rozig vlekje, maar de grond ligt er alweer bezaaid mee. Waarom krijgen ze nou geen tijd om een beetje te rijpen?

Er komt een Vlaamse gaai aanvliegen. Vakkundig landt hij tussen de grote slappe bewegende bladeren van de kleine kerselaar. Ik kijk wat hij komt doen, al heb ik zo’n vermoeden… Hij buigt zich voorover, pakt een groene kers bij het steeltje, en trekt hem eraf. Potver. Met een behendige manoeuvre duikt hij in het naastgelegen boompje, de sierappel, om daar de kers op te peuzelen. Hm. Het feit dat hij toch de ongerijpte kers op probeert te eten, stemt me iets milder. Dat is beter dan ze simpelweg op de grond gooien. Hij vind ze kennelijk nu ook al lekker. Sterker nog, hij gaat terug naar de kerselaar, om er nog eentje te plukken. En nog eentje. En nog eentje.

Na acht kersen ben ik het zat. Egoïst, laat ook eens iets voor een ander over! Ik stap naar buiten. Even vliegt hij weg, maar een fractie later is hij er weer, om de plunderingswerkzaamheden voort te zetten. Hij is niet onder de indruk van mijn commentaar.

Zelfs als ik vlakbij sta, besluit hij nog even het onderste gebladerte in te duiken. Ik beweeg wat met mijn armen en kraam wat onzin uit tegen hem. Ik hoop niet dat de buren meeluisteren. En uiteindelijk weet hij op verbazingwekkende wijze, op de vlucht, midden in de vlucht, met een snelle beweging nog een kers van onder een blad weg te grissen en ermee weg te vliegen.

Onder de sierappel valt me nu pas op dat de grond bezaaid ligt met tientallen kersenpitten. Het is duidelijk een recidivist.